Deze behandeling duurde iets meer dan een een jaar en was gratis. Veel punten gaan beter, niet alles is opgelost. Om alles op te lossen dient de behandeling langer te duren.
AUTISME
TIJS
Tijs is 7 jaar. Hij zit in het eerste leerjaar van het normaal onderwijs. Hij is een jaar ouder dan de andere kinderen van zijn klas. Dit komt omdat hij tot nu toe het Steineronderwijs gevolgd heeft (kleuteronderwijs) en in dat onderwijstype begint het eerste leerjaar een jaar later. De eerste schoolmaand van het eerste leerjaar heeft Tijs wel doorgemaakt in het Steineronderwijs. Maar door zijn onaangepast en bijzonder storend gedrag in de klas, in die mate dat de lerares geen les meer kon geven, werd hij verder in de school geweigerd. Zijn moeder was daardoor genoodzaakt over te stappen naar het gewoon onderwijs. Nu zijn we half maart en Tijs vertoeft al vijf maanden in zijn huidige klas.
Twee en een half jaar geleden werd voor het eerst de diagnose van autisme met laag normale begaafdheid gesteld. Tijs maakte op die leeftijd (4,5 jaar) weinig sociaal contact, leefde in een eigen wereld. In de klas praatte hij bijna niet en deed hij ongepaste dingen. Hij vertoonde repetitief gedrag, een gebrekkig oogcontact, aandachtsproblemen en een lage frustratietolerantie. Zijn spel werd gekenmerkt door een beperkte spelvariatie en spelinhoud. Wederzijdsheid in contact en delen van emoties met anderen was beperkt en niet leeftijdsadequaat. Hij had een bijzondere interesse in muziek en in getallen.
Vanaf het tweede levensjaar werd Tijs minder rustig en druk. Hij kreeg soms hevige woedeaanvallen waarbij hij hard riep en met de armen zwaaide en sloeg. Op driejarige leeftijd ging hij naar de kleuterschool en daar werd hij ervaren als een bijzonder kind. Taal-en spraakontwikkeling vertoonden tekorten, de spelontwikkeling was niet leeftijdsadequaat. Hij reageerde weinig op sociale impulsen zoals beloning of straf. Het sociaal contact verliep moeizaam.
Aangezien Tijs’s moeder moeilijk de diagnose van autisme kon aanvaarden, liet ze haar zoon een jaar later (op 5,5-jarige leeftijd) een nieuwe observatie ondergaan in een ander instituut. De diagnose luidde opnieuw dezelfde. Het bovenvermelde gedrag werd bevestigd met nog enkele bijkomende opmerkingen:
‘Op het vlak van communicatie lijkt Tijs verbale boodschappen niet altijd goed te begrijpen. Visuele ondersteuning is soms noodzakelijk. Een gesprekje voeren met hem is moeilijk. Dit moet door de volwassene steeds aan de gang gehouden worden. Echolalie (letterlijk nazeggen) en echopraxie (letterlijk nadoen) komen voor. Er zijn ernstige tekorten in het sociale functioneren. Er is een beperkt oogcontact en het contact is zelden wederkerig. Hij zit op zijn eigen spoor en kan geen inbreng van buitenaf verdragen. Hij kan zeer beperkt relaties met leeftijdsgenootjes opbouwen en moet sociale regels aangeleerd krijgen. Tijs heeft een hele bagage aan passieve woordenschat maar kan die niet adequaat toepassen in dagdagelijkse situaties. Zo kan hij blokkeren als hij een eenvoudige vraag moet stellen aan een leeftijdsgenootje.
Hij is zeer detailgericht en hij kan niet loskomen van details. In het spel speelt hij bij herhaalde malen identiek hetzelfde, er is geen spelverruiming mogelijk. Als hij een oplossingsmethode kiest, is het moeilijk voor hem om hier weer van af te stappen. Hij is rigide in denken en doen. Alles moet lopen zoals hij het in zijn hoofd heeft. Er zijn stereotiepe gedragspatronen, hij is sterk gebonden aan vaste routines, zowel in de dagdagelijkse situaties als in zijn spel. Hij is gefascineerd door cijfers en pijlen die hij te pas en te onpas tekent. Hij voelt zelf niet aan wanneer dit wel of niet kan.’
Tijs behaalde bij de IQ-testen een score van 92 voor het totaal IQ, 88 voor het verbaal IQ en 99 voor het performaal IQ.
Hij is de oudste van twee kinderen, hij heeft een broer die een jaar jonger is. De kinderen wonen bij de moeder, de vader is overleden toen de kinderen nog baby’s waren.
Beschrijving van Tijs’s gedrag door zijn moeder
• Tijs is maar beginnen spreken op driejarige leeftijd
• De lerares van het vorige schooljaar observeerde het volgende over zijn gedrag: ‘als Tijs de klas binnenkomt maakt hij steeds op dezelfde manier een kamp met planken. Daar gaat hij dan onder liggen, soms met zijn broer. Hij komt er niet meer onderuit, tenzij de juf hem ertoe verplicht. Vaak ligt hij dan tegen zichzelf te praten of liedjes te zingen. Als er andere kinderen met de planken bezig zijn, dan weet hij niet hoe hij de andere kinderen moet aanspreken om de planken te vragen en blijft hij hulpeloos in de klas staan. Tijs vraagt gemakkelijker iets aan de juf dan aan de andere kinderen. Hij zoekt geen contact met leeftijdsgenoten, enkel met zijn broer. Bij het tekenen tekent hij altijd zijn pagina vol met cijfers en pijlen, dit doet hij ook op de speelplaats op de grond. Opdrachten moeten zeer concreet en duidelijk gesteld worden of anders begrijpt hij ze niet. Bij elke overgang (iets anders gaan doen, zoals van de klas naar de speelplaats gaan) zijn er gedragsproblemen (het niet willen doen, het tegenovergestelde doen, onder de bank kruipen, boos worden, geluiden maken …). De juf heeft hem in stapjes moeten leren werken met klei, want in het begin wou hij dit niet aanraken. Hij heeft veel individuele begeleiding nodig. Zonder bijkomende hulp is het niet meer haalbaar voor de juf met Tijs in de klas.’
• De leerkracht van het huidige schooljaar meldt: ‘Tijs is dikwijls heel druk, hij doet allerlei dingen die niet mogen. B.v. de kleine zetel die zich in de schoolgang bevindt verplaatst hij door er zijn hoofd tegen te duwen, dit terwijl hij moet opruimen en naar buiten gaan. Hij slaat een ander kind met zijn lat tegen diens hoofd, waardoor het andere kind boos wordt en er een vechtpartij ontstaat. Hij roept onafgebroken‘Fil – lo’ in de klas. Tijdens de uitleg van de oefeningen kruipt hij onder de bank en kruipt rond in de klas. Tijdens het luisteren naar de juf maakt hij opzettelijk storend geluid. Hij trekt zijn schoen zomaar uit. Hij is handtastelijk bij de meisjes als hij naast hen zit bij het luisteren naar een verhaal. Op de speelplaats tilt hij de rokjes van de meisjes op. Hij luistert niet bij de zwemoefeningen in het zwembad en hij weigert te gehoorzamen als hij er uit moet komen. Hij komt bonkend tegen de muur de klas binnen en kruipt dan onder de banken. Hij stampt tegen de muren. Soms sluit hij de klasdeur voor de juf of de andere kinderen binnen zijn. Hij is zeer onbeleefd tegen de juf. Hij doet druk tijdens de schrijfoefeningen. Hij zet het boek met leesoefeningen telkens recht. Als er dictee is neemt hij de rekenblaadjes. Tijdens de rekenles staat hij plots recht en gaat fladderen als een vogel, of hij gaat rondkruipen, rondlopen of op zijn stoel staan. Hij maakt de ganse dag vreemde geluiden. Hij gaat achterstevoren op zijn stoel zitten en schommelt ermee. Hij bonkt zijn stoel tegen de banken. Hij schudt met zijn bank. Hij draait zich om en probeert de aandacht van de andere kinderen te pakken te krijgen door op hun bank te slaan. Hij gaat bovenop zijn bank staan. Hij gooit met dingen van andere kinderen zoals een lat of een schoen. Hij kan heel kort flink doorwerken als iets hem interesseert, maar dan wordt hij weer afgeleid en begint alles opnieuw. Hij wordt door het geringste afgeleid. Hij heeft veel individuele begeleiding nodig vooraleer hij rustig kan werken of zich kan concentreren. Vooral in de rekenles (vraagstukken) is hij heel erg druk en enorm snel afgeleid omdat hij vraagstukken heel moeilijk vindt.’
• De leerkracht laat hem eerder beginnen aan de oefeningen of neemt hem bij de hand of op schoot, opdat de andere kinderen rustig zouden kunnen werken
• Hij gaat niet graag naar buiten, hij blijft liever in de klas
• Hij heeft constant aandacht nodig in de klas, als de lerares naar hem kijkt en haar aandacht op hem heeft, gaat alles goed, maar zodra ze wegkijkt doet hij van alles om haar aandacht te trekken
• Als er een nieuwe leerkracht is maakt hij extra veel geluiden en is zijn gedrag extra storend
• Voor de testen geeft de juf uitleg, hij luistert er niet naar en doet intussen iets anders, zoals geluiden maken of rondlopen, dan kan hij de toetsen niet maken en tekent hij cijfers en pijlen over de oppervlakte van het blad, elk testblad staat steeds vol getekend
• In de tekenles tekent hij naast wat er gevraagd ook nog zijn blad vol met cijfers en pijlen, hij wil maar een aantal tekeningen maken en dan weigert hij om er nog meer te maken
• In de tekenles kan hij de volgorde van opruimen van de materialen niet onthouden, ook al heeft het opruimen zich al dikwijls herhaald
• Als hij moet wachten of als hij niet weet wat te doen wordt hij zeer druk
• Op de schoolbus slaat hij steeds op de zetels van de bus
• Hij zegt tijdens de rekenles heel dikwijls: ‘ik kan het niet, het is te moeilijk’, als je hem op een fout wijst, dan roept hij op een heel rare toon : ‘dan doe ik het niet’
• Tijs was voor het eerste contact bij mij (de therapeut) meegekomen met zijn moeder. Om de tijd door te brengen kleurde hij o.a. tekeningen in een kleurboek (naast in de hal weg en weer rennen) terwijl ik met zijn moeder praatte. Op een zeker moment merkte ik dat hij heel diep in gedachten verzonken leek, en ik vroeg hem : ‘Tijs, vertel me eens waaraan je denkt’. Het duurde een tijdje eer hij kon loskomen van zijn gedachten en dan slaagde hij er niet in om mij te zeggen waar hij aan dacht, hij kon niets zeggen, het leek alsof hij de vraag niet begreep. En onmiddellijk daarna verzonk hij terug in zijn gedachtewereld
• Als je met hem praat dan voel je dat je hem niet bereikt, hij lijkt vanuit een verte naar je te luisteren, hij reageert totaal niet of hij reageert met een bizarre glimlach en onverschilligheid
• Hij zit regelmatig helemaal verzonken in zijn gedachten, hij gaat helemaal in zichzelf of in een bezigheid op en dan hij hoort niets meer, als iemand hem aanspreekt hoort hij dit niet en doet hij ongestoord verder met wat hij aan het doen was
• Hij praat vaak tegen zichzelf, vooral ‘s avonds
• Terwijl hij eet is hij weg van wereld, hij zit helemaal in zijn wereldje, dan is hij er en het eten en niets anders, hij geniet intens van voedsel, hij rangschikt het voedsel zorgvuldig voor zich op een doekje, als je hem een vraag stelt terwijl hij eet, dan merkt hij dat niet, hij merkt niet dat er tegen hem gesproken wordt
• Hij begint soms plots verschrikkelijk te wenen, zowel thuis als op school, als je hem dan vraagt waarom hij weent, dan weet hij het niet of hij kan het niet zeggen
• Hij heeft een gemaakt gedrag, zijn gezichtsuitdrukkingen zijn niet spontaan, hij doet soms alsof hij hartelijk lacht maar het is geforceerd
• Hij kan geen contacten leggen met andere kinderen dan zijn broer, hij weet niet hoe dit moet, in plaats van gewoon te zeggen wat hij wil, plaagt hij de andere kinderen, hij steekt met een potlood in de rug van een kind of trekt aan hun T-shirt, hij geeft hen een duw of doet hen pijn, hij herhaalt onafgebroken de naam van een kind enz., dit geplaag eindigt in ruzie, hij toont geen schuldgevoelens als het andere kind weent, hij beseft niet dat hij een ander kind pijn doet
• Hij voelt zich ongemakkelijk in groepen, als hij een vreemde groep binnenkomt begint hij soms hevig en lang over zijn hoofd te wrijven in zijn haar, of hij verdwijnt in een hoekje of in de kamer ernaast, hij blijft daar zitten tot ze hem halen, maar zodra hij de kans ziet gaat hij terug naar de hoek of de andere kamer
• In de turnles gaat hij apart zitten als de andere kinderen druk doen, zodra hij er weer bijkomt zoekt hij aandacht d.m.v. storend gedrag
• Als hij voor een spel in groep met vreemde kinderen materiaal nodig heeft, dan laat hij de andere kinderen alles nemen en hij durft niets nemen, hij staat daar maar te kijken en te wachten en doet niets
• Als een ander kind hem iets afneemt, dan zegt hij niets maar wordt heel boos, en slaat op het kind en bijt het kind
• Hij weet niet dat hij hulp kan vragen, als hij iets niet kan zal hij het niet zeggen dat hij niet weet hoe het moet en zal hij niet om hulp vragen, in de plaats daarvan maakt hij geluiden of slaat met zijn potlood
• Hij zegt niet wat hij voelt of wil, als hij b.v. klaar is met eten en hij wil nog een portie, dan slaat hij met zijn handen op tafel of maakt hij geluiden i.p.v. te zeggen dat hij nog meer wil
• Hij neemt soms gedrag van andere kinderen over, als een kind b.v. op een zekere manier schrijft gaat hij ook zo schrijven, in de buurt van luidruchtige kinderen wordt hij ook luidruchtig, hij doet hen na met opvallend gedrag of het trekken van gezichten of het maken van geluiden
• Hij begrijpt geen emoties van mensen, hij begrijpt geen gezichtsuitdrukkingen, als zijn moeder of de juf kwaad is, verschijnt er een grote glimlach op zijn gezicht, het lijkt alsof hij ons uitlacht, maar dat is het niet, het is zijn manier om om te gaan met boosheid, als de juf hem vraagt: ‘vind je dat fijn, andere kinderen duwen?’, dan glimlacht hij
• Hij kent het verschil niet tussen boosheid en verdriet, hij weet niet of zijn moeder boos is of verdrietig, hij kan niet zien of aanvoelen dat iemand iets niet graag heeft, als hij een kind plaagt en als dat kind duidelijk laat weten dat hij/zij het niet prettig vindt, dan blijft hij het toch doen, en hoe meer het andere kind zich verzet, hoe leuker hij het vindt, hij begrijpt niet dat een ander kind dat niet leuk vindt en hij doet verder met een rare glimlach op zijn gezicht, als hij berispt wordt reageert hij met een verbaasde glimlach
• Hij trekt dikwijls een heel raar gezicht als zijn moeder boos is, (de mondhoeken naar beneden, zijn kin gespannen, zijn ogen die uitpuilen), en hij doet geluiden van de moeder na, hij maakt klanken op een heel snel tempo
• Hij reageert niet als een ander kind weent of zich pijn gedaan heeft
• Hij kan de namen van zijn klasgenoten niet onthouden
• Hij wil alles voor zichzelf hebben en houden, hij wil niets delen met zijn broer, hij wil met niemand delen, hij wil wel van andere kinderen delen
• Er is veel ruzie tussen hem en zijn broer, zeker als zijn broer iets van hem wil hebben of als ze tegelijkertijd hetzelfde willen hebben, Tijs geeft zijn broer nogal wat opdrachten hoe de dingen moeten gebeuren bij het spel tezamen, zijn broer wil dat dan niet doen en dan is er weer ruzie
• Hij is heel dominant naar zijn broer toe, zijn broer moet doen wat hij wil, hij zegt : ‘nu doe jij dat zo en zo’, hij gebruikt zijn broer voor dingen die hij niet graag doet, dan geeft hij zijn broer de opdracht om het te doen
• Als ze tezamen tekenen met krijt op de grond, dan is er veel ruzie om het krijt, Tijs wil steeds de grootste stukken hebben, soms willen ze allebei dezelfde kleur gebruiken, Tijs slaat zijn broer dan en eigent zich het stuk krijt toe, dan rent de broer naar de moeder met : ‘Tijs slaat mij’
• Hij heeft geen vriendjes
• Hij vertelt niets, hij is zeer gesloten, hij vertelt niets over school
• Hij kan zich niet goed uitdrukken, op een vraag antwoordt hij enkel met ja of neen, hij kan iets niet uitleggen, hij kan de woordenschat die hij kent niet gebruiken, hij gebruikt woorden verkeerd, zoals b.v. menen en bedoelen
• Soms als je hem een vraag stelt, dan lacht hij naar jou en antwoordt hij niet (begrijpt hij de vraag niet of weet hij niet wat hij moet antwoorden?)
• Als hij een leerkracht niet graag heeft zegt hij: ‘ik wil die juf niet’, maar als je hem dan vraagt waarom, dan kan hij dat niet zeggen, dan wil hij soms tekenen, omdat hij zegt dat het anders in zijn hoofdje blijft, hij probeert wat hij niet kan zeggen te tekenen
• Hij staat heel dikwijls verloren te kijken en hij weet niet wat te doen, als zijn moeder hem b.v. zegt: ‘nu mag je je jasje aantrekken’, dan staat hij daar te kijken en hij doet niets
• Hij leert niet van zijn fouten, hij herhaalt oneindig telkens de verkeerde dingen
• Hij kan een spel maar op een zekere manier spelen en er kan niet van afgeweken worden. Zo kan hij elders niet met een trein spelen, omdat er geen bareel is zoals thuis. Bij het opruimen moet alles zich eerst op de juiste plaats bevinden, b.v. alle letters moeten in de juiste volgorde op het bord bevestigd zijn, vooraleer hij kan overgaan naar iets anders. Bij een spel waarbij een vloermat met letters gebruikt wordt, waarbij de letters in diverse volgorde kunnen aangebracht worden, zal hij alleen letters rangschikken volgens het alfabet (abcd…), het kan op geen enkele andere manier. Als hij speelt met auto’s die een traject afleggen naar de garage, dan volgt hij onveranderlijk hetzelfde traject, er is nooit een variatie
• Op de speelplaats doet hij altijd hetzelfde, hij speelt maar één spel namelijk met enkele kinderen achter elkaar over de speelplaats rennen, telkens belandt hij dan op het gras en dit mag niet, hij moet op de tegels blijven, dan krijgt hij straf en moet hij tegen de muur staan, dit herhaalt zich elke dag
• Hij loopt graag tussen twee muren snel heen en weer en hij doet dat dikwijls, hij loopt veel rond in het huis
• Hij is zeer ongeduldig, als hij moet wachten wordt hij zeer nerveus
• Als hij meegaat naar de supermarkt rijdt hij heel snel en heel ruw met het winkelwagentje door de gangen, zijn moeder moet er voortdurend op toezien dat hij nergens tegen botst, hij zeurt ook voortdurend: ‘wanneer is het gedaan, wanneer kunnen we naar de kassa, duurt het nog lang ?’ en hij zegt dit op een zeer klagende toon
• Hij zit op een stoel om zich aan te kleden, op de stoel moet er een matje liggen, zoniet kan hij zich niet aankleden
• Bij het eten wil hij eerst zijn koffie opdrinken en dan pas de boterhammen eten, dit kan alleen zo
• Als hij thuiskomt van school, dan kijkt hij onmiddellijk TV en daarna wil hij pas eten, het eten moet na de TV komen en kan er niet voor komen
• De verschillende voedingsmiddelen in zijn bord moeten naast elkaar gelegd worden en er mag geen vermenging zijn, saus en geraspte kaas mogen niet op het andere voedsel gestrooid worden maar moeten ernaast in zijn bord komen
• Hij is heel perfectionistisch, als er les in schoonschrift is, dan moet het perfect zijn. De kinderen moeten bij de les schoonschrift een lijntje met 10 maal dezelfde letter schrijven, als er één lettertje iets minder mooi is, dan gaat hij hevig wenen en roept klagend en met grote nadruk: ‘het is niet mooi, het is slecht!’. Als hij iets verkeerd leest en zijn moeder wijst hem op zijn fout, dan is hij in paniek en roept luid klagend en met grote nadruk: ‘ik kan het niet, het is te moeilijk !’
• De lakens en de dekens moeten mooi glad gestreken zijn, zoniet wil hij niet in zijn bed, als iemand op zijn bed gezeten heeft, dan wil hij niet meer naar bed
• Sommige kledij wil hij niet dragen, zoals sommige slipjes en sommige lange broeken, schoenen met veters wil hij niet
• Hij maakt bijna onafgebroken geluiden, dikwijls heel luid, tot grote ergernis van zijn moeder en van andere mensen, deze geluiden zijn het herhalen van klanken, zoals ‘oe, oe, oe…’, ‘waw, waw, waw …’ enz., grommen, knorren of krijsen als een dier of het oneindig herhalen van een naam of een woord
• Hij trekt veel soorten gezichten, zoals b.v. heel grote ogen opzetten en zijn lip naar beneden krullen, dit ergert zijn moeder
• Hij doet er tien minuten over om zijn handen te wassen, hij draait de kraan herhaaldelijk open en dicht, hij blijft gewoon lang staan bij het water dat loopt zonder iets te doen
• Hij is verschillende malen per dag heel boos om pietluttigheden, als hij boos is gaat hij luid roepen, hevig stampen met zijn voet, slaan, hevig wenen
• Als de punt van een kleurpotlood breekt is hij hevig gefrustreerd, i.p.v. het potlood te slijpen, roept hij: ‘stomme kleurpotlood, waarom breekt die weer!’ en hij fronst hevig zijn voorhoofd en trekt zijn wenkbrauwen omhoog
• Iets wat hij eet moet in zijn geheel zijn, als er b.v. van een boterham een korstje afbreekt, roept hij: ‘het brood is gebroken, ik wil het niet meer eten!’, als van een stuk taart een stukje afbreekt is hij hevig gefrustreerd en wil hij het niet meer eten, als een koekje breekt terwijl hij het eet, dan is dat dramatisch en wil hij het niet meer eten
• Hij is heel gevoelig voor kritiek, als je hem zegt: ‘kijk eens, dat is fout’ of ‘dat is niet mooi, dat moet je nog eens opnieuw doen’, dan is zijn antwoord (roept): ‘dan doe ik het niet!’
• De dingen moeten gebeuren zoals hij het wil, kan dat niet dan wordt hij kwaad, als hij iets in zijn hoofd heeft dat niet kan, dan is hij heel gefrustreerd, als er iets moet gedaan worden terwijl hij andere plannen heeft dan zal hij luid en met grote nadruk roepen: ‘ik doe het niet!’ en hij zal zijn wil doordrijven
• Een afwijking in dagelijkse gewoontes kan hij niet verdragen, dan is hij heel gefrustreerd, als hij b.v. op zijn normale uur niet kan spelen omdat hij met zijn moeder moet gaan winkelen, dan is het antwoord (hevig): ‘neen, nu niet, waarom moet het nu?’
• Als hij uit zijn bezigheid getrokken wordt omdat het b.v. tijd is om te vertrekken, dan zal hij hevig stampen en roepen: ‘nu niet, moeten we weer weg, ik wil niet !’, dit gebeurt iedere per dag
• Hij spreekt en roept dikwijls op een klagende toon: b.v. ‘het is koud!’, hij gebruikt een klagend toontje bij ongeveer alles wat hij moet doen
• Bij gezelschapsspelletjes moet hij winnen, als hij bij een kaartspel slechte kaarten in handen heeft, wil hij al niet meer meespelen en weent hij, als hij bij een spel met dobbelstenen niet goed werpt, is het onmiddellijk van (luid en hevig): ik speel niet meer mee, het is een dom spel!
• Hij wil als eerste in de school zijn, hij wil vroeger vertrekken om de eerste te zijn
• Als de kinderen in de rij moeten lopen, dan wil hij vooraan lopen, als dat niet kan weent hij en is hij kwaad
• Als andere kinderen op het pad lopen, dan moet hij ervoor lopen, hij duwt de anderen opzij om ervoor te komen
• Hij kan urenlang tekenen met krijt op de grond, dan is alles in orde, thuis tekent hij de ganse dag op de oprit naar het huis, hij tekent weggetjes met verkeersborden, vooral de verkeerssborden met pijlen erop. Als hij tekent op de grond is het zeer moeilijk om hem daar vanaf te trekken, tijdens de speeltijd in school doet hij het ook en dan is hij heel boos als hij ermee moet stoppen voor de volgende les
• Hij is heel geïnteresseerd in cijfers, hij wil een klok hebben op zijn kamer om naar de cijfers te kunnen kijken, hij wil steeds weten hoe laat het is, hij zou het niet aanvaarden als er geen klok in zijn kamer zou zijn
• Hij is zeer goed in rekenen
• Zijn favoriete speelgoed is een rekenmachine, in de auto móet hij zijn rekenmachine bijhebben
• Hij heeft een bijzondere interesse voor liften, als er ergens een lift is dan moet hij in de lift, ook al moet hij maar één trap omhoog zal hij in geen geval de trap nemen, in de lift drukt hij op alle knopjes
• Hij heeft iets met de tijd, als hij op tijd moet klaar zijn voor iets, dan wordt hem dat verschillende keren gezegd, maar hij reageert er niet op, als hij b.v. om acht uur ’s morgens moet klaar zijn om te vertrekken, dan wordt hij vanaf 7.30 verwittigd, om vijf voor acht wordt hij nog eens verwittigd en dan reageert hij altijd opnieuw op dezelfde manier: hij wordt heel boos en roept heel luid en met grote nadruk : ‘altijd die tijd, die tijd is verkeerd, die tijd loopt te snel, ik wil dat niet, nu heb ik te weinig tijd, nu is het te laat, nu moet ik alles zelf doen! (zich aankleden)’, waarbij hij hevig weent, schreeuwt, stampt, naar adem hapt, zich hevig opwint. Dit gebeurt iedere dag opnieuw, hij rekt steeds opnieuw de tijd tot het bijna te laat is en dan is hij hevig boos, zijn moeder wordt er gek van
• Hij luistert niet en dan vergeet hij te doen wat er gevraagd werd, de juf en zijn moeder moeten de dingen heel dikwijls herhalen voor het gebeurt
• Als zijn moeder vraagt hem: ‘wil je de tafel dekken?’, wordt hij afgeleid door iets anders en is hij het onmiddellijk vergeten dat hij de tafel moet dekken, daarom dekt zijn broer de tafel, en dan is Tijs hevig kwaad want hij wou de tafel dekken, dit herhaalt zich telkens opnieuw
• Hij gehoorzaamt niet, noch in school, noch thuis, hij aanvaardt geen autoriteit, hij houdt zich niet aan de regels, hij is zeer onbeleefd, als hij iets moet doen is er onmiddellijk tegenspraak en is het antwoord (luid en zeer benadrukt): ‘dat doe ik niet, ik wil het niet!’ waarbij hij heel kwaad is, als hij iets niet graag doet, doet hij het ook niet of maakt hij heel klagende geluiden als hij het toch doet
• Opruimen van zijn speelgoed doet hij niet graag, hij gaat in de zetel zitten en geeft zijn broer de opdracht om op te ruimen, zijn moeder wil dit niet en zegt hem dat hij het zelf moet doen waarbij hij luid gaat wenen en luid schreeuwt: ‘ik doe het niet!’, dit herhaalt zich telkens opnieuw
• Ongeveer één maal per maand wordt hij ’s nachts schreeuwend wakker en blijft hij schreeuwen ook als zijn moeder komt, het duurt een kwartier voor hij tot rust komt, hij merkt niet dat zijn moeder bij hem is en hij roept onafgebroken: ‘mama, mama’, hij kan niets anders meer zeggen, en daarna gaat hij een hele tijd op zijn bed staan
• Hij heeft geen aanleg voor sport
• Hij heeft gevoel voor ritme en dans
• Hij heeft last van eczeem op de buik en de onderarmen, met momenten is de eczeem in mindere mate aanwezig en verschijnt dan weer in ergere mate
• Er vormen zich enkele keren per jaar steenpuisten ergens op zijn lichaam, vooral op zijn benen
• De binnenkant van zijn handen en zijn voetzolen zijn geel gekleurd
BEHANDELING OP AFSTAND
Voor de behandeling op afstand werk ik (de therapeut) twee uur per dag, vijf dagen per week. Ik richt mijn energieën vooral naar patronen die een gebrekkig sociaal contact veroorzaken. Intussen raak ik ook heel veel andere patronen.
Resultaten na de eerste reeks van 50 uur (5 weken)
• De leerkracht heeft enkele puntjes gemeld die beter gaan: Tijs is met momenten braaf in de klas, hij is met momenten veel rustiger, het storende gedrag doet zich met momenten minder voor, hij maakt minder storende geluiden, hij roept minder ‘Fil – lo’
• Er is minder ruzie meer tussen Tijs en zijn broer, zijn broer komt nog weinig huilend naar hun moeder met de boodschap dat Tijs hem slaat, Tijs geeft minder opdrachten aan zijn broer, het dominante gedrag is verminderd
• Hij is meer geneigd om te delen met zijn broer
• Tijs wou op een zeker moment naar de TV kijken en zijn moeder ook, tot nu toe zou Tijs een reactie gehad hebben van hevig klagen en aandringen van: ‘nu is het mijn beurt’, hij heeft echter zonder problemen geaccepteerd dat zijn moeder haar zin kreeg en hij is buiten gaan spelen met zijn broer
• Als hij iets vraagt aan zijn moeder is dat minder dwingend, minder bevelend, het is op een rustigere manier, nu is het in de zin van ‘mag het?’ i.p.v. ‘het moet !’
• Hij kan zich algemeen beter aanpassen, de dingen moeten niet meer uitsluitend gebeuren zoals hij het wil, hij kan beter afstappen van iets wat hij van plan was en meewerken aan de nieuwe, onverwachte activiteit
• Als hij bezig is met een activiteit en diep verzonken is in zijn gedachten, hoort hij het nu wel als zijn moeder hem iets zegt, hij reageert op haar, maar hij kan nog niet loskomen van datgene waarmee hij bezig is en hij doet toch verder, zonder dat hij kwaad wordt omdat hij gestoord werd
• Hij luistert iets beter, zijn moeder moet minder vaak iets herhalen vooraleer hij iets uitvoert, hij gehoorzaamt iets beter, hij houdt zich beter aan regels, hij is minder snel afgeleid, hij dekt de tafel als het hem gevraagd wordt, hij ruimt op als het hem gevraagd wordt
• Er is minder tegenspraak, hij is gewilliger om dingen te doen die hij niet graag doet, zijn verzet in de zin van: ‘neen, dat doe ik niet!’, enz gebruikt hij niet meer
• De klagende toon is verdwenen als hij spreekt
• Er is meer oogcontact
• Hij kan zich iets beter uitdrukken, hij antwoordt soms al met iets meer dan ja of neen op een vraag van zijn moeder, hij lacht niet meer zonder te antwoorden als je hem een vraag stelt, er komt altijd een antwoord
• Hij kent het onderscheid tussen de woorden menen en bedoelen, hij verwart die niet meer
• Hij kan beter tegen zijn verlies in het kaartspel, er is duidelijk minder frustratie tijdens het kaartspel
• Hij is veel minder agressief, hij is niet meer zo snel opgewonden, roepen, slaan, stampen, wenen doen zich niet meer voor, hij wordt niet meer hevig boos
• Hij is minder gefrustreerd om allerlei dingen, en als hij nog gefrustreerd is, reageert hij zeker niet meer zo heftig als vroeger
• Het ruwe,ongeduldige gedrag in de supermarkt is achterwege gebleven, hij is rustig en braaf tijdens het boodschappen doen
• Hij heeft algemeen iets meer geduld en kan beter wachten
• Hij maakt thuis zogoed als geen geluiden meer, hij herhaalt woorden of namen niet meer, hij trekt geen gezichten meer
• Hij praat ’s avonds niet meer tegen zichzelf, overdag nog wel
• Er is geen gemaakt gedrag meer
• Hij glimlacht niet meer als iemand kwaad is
• ‘Het verloren staan kijken’ doet zich niet meer voor
• Het probleem i.v.m. ‘de tijd’ dat zich iedere dag weer opnieuw voordeed is achterwege gebleven
• Bij het spelen met de vloerpuzzel mag het alfabet in een andere volgorde gelegd worden, daar was tot nu toe absoluut geen sprake van
• Hij kan een spel op een andere manier spelen, hij volgt nu veel verschillende trajecten met zijn speelgoedauto’s
• Hij is niet meer urenlang aan het tekenen met krijt op de grond, hij doet nu in de plaats daarvan andere spelletjes en andere activiteiten
• Hij loopt niet meer rond in huis, hij loopt niet meer tussen twee muren heen en weer
• Tijdens het eten mogen de koffie en de boterhammen nu door elkaar genuttigd worden
• De lakens op het bed moeten niet meer perfect liggen, iemand mag op het bed gaan zitten
• Het ritueel dat hij uitvoerde bij het handen wassen is achterwege gebleven
• Hij wil niet meer als eerste in de school aankomen of vooraan in de rij of op het pad lopen
• Hij kan het accepteren als er geen klok in zijn kamer is
• De nachtmerries en het schreeuwend wakker worden hebben zich niet meer voorgedaan
• Het eczeem is op dit moment slechts in kleine plekjes aanwezig, maar dat is nog gebeurd
• Een steenpuist die er was boven zijn rechterknie is spontaan verdwenen, het is de eerste keer dat zoiets gebeurt
Dit zijn heel goede resultaten na een reeks van 50 uur. Deze resultaten zijn echter nog niet stabiel en sommige verbeteringen die we bereikt hebben kunnen nog terugvallen. Dit komt omdat we nog niet alle lagen van patronen afgepeld hebben. Diepere lagen steken later de kop op en veroorzaken opnieuw probleemgedrag. Aangezien we toch onafgebroken verder werken, kan het geen kwaad dat er dingen terugkomen, want de volgende lagen worden toch verder afgepeld. Waardoor negatief gedrag opnieuw verdwijnt.
Resultaten na een volgende reeks van 50 uur (5 weken)
Thuis is Tijs heel meegaand, er is nog slechts één dag geweest van hevige ruzie met zijn broer, waarbij hij zijn broer beet en schopte, maar de volgende dag was het al weer beter. In de klas daarentegen is hij de helft van de tijd rustig en werkt hij rustig mee, maar de andere helft vertoont hij nog een groot deel van het storende gedrag dat hij had vóór de start van de behandeling. Toch zijn er verschillende negatieve punten volledig of sterk verbeterd. Ook het contact met volwassen en kinderen is er iets op vooruitgegaan.
Er zijn nog zes weken te gaan vóór het einde van het schooljaar. In de hoop het storende gedrag op deze termijn sterk te verbeteren, zal de behandeling op afstand tijdelijk intenser zijn, zes uur per dag i.p.v. twee uur per dag. Patronen i.v.m. contact met mensen worden deze keer niet gericht behandeld, maar wel de patronen die het storend gedrag veroorzaken. Zoals b.v. een patroon in beeldvorm met gedrag zoals rondkruipen in de klas, op de stoel gaan staan enz. erin geprogrammeerd, dit om aandacht te krijgen. Of : ‘willen opvallen en dus dingen doen die niet mogen om op te vallen’, ‘een dwang om rond te lopen’, ‘een dwang om aandacht te trekken, dus rondlopen om aandacht te trekken’, ‘ongehoorzaamheid, een dwang om juist te willen doen wat niet mag’, enz.
Andere veranderingen zijn :
• Tijs werd uitgenodigd op een verjaardagsfeestje van een ander jongentje, de moeder van deze jongen kent het gedrag van Tijs tot nu toe, zij was verrast dat hij zonder enig probleem meedeed aan de spelletjes, tot nu toe was hij er nooit bij betrokken, hij ging apart zitten, het verraste haar ook dat hij durfde vragen aan een volwassene om hem te duwen op de schommel, dit zou hij tot nu toe zeker niet gedaan hebben
• Tijs’s moeder heeft hem kunnen observeren in een groep van 10 kinderen, er was eerst nog een neiging om apart te gaan zitten, maar met enig aandringen was hij zonder problemen bereid met alle spelletjes mee te doen, als hij zich vroeger al had laten overhalen, dan had dat kort geduurd en dan had hij zodra hij de kans schoon zag geprobeerd om weer apart te gaan zitten
• Het contact met kinderen is iets beter, tot nu toe nam hij geen enkel initiatief naar een ander kind toe, het enige dat gebeurde in contact was ‘ja’ of ‘neen’ antwoorden op de vraag van een ander kind (behalve dan zijn plaaggedrag), in deze groep is hij naar een meisje toe gestapt en ze zijn tezamen aan het fluisteren geweest, daarna zijn ze tezamen gaan schommelen, dit is ook nieuw, hij gaat normaal niet met iemand van zijn keuze tezamen schommelen
• Nog in andere groepen met kinderen meldden de begeleiders dat Tijs altijd meespeelde en geen aandachtzoekend gedrag vertoonde, hij werkte heel goed mee en viel niet op. Vroeger riepen begeleiders Tijs’s moeder soms apart na een speeldag, om over zijn gedrag te spreken, over zijn gek of aandachtzoekend gedrag, zijn geslotenheid en het zich afzonderen van de anderen
• Hij is nog altijd heel gesloten, hij vertelt nog niets uit eigen beweging en antwoordt nog dikwijls alleen met ja of neen op vragen van volwassenen, maar hij kan toch wel duidelijk betere contacten leggen met andere kinderen, hij spreekt in de klas de andere kinderen aan, hij vraagt uit eigen beweging dingen aan de kinderen, hij zoekt meer contact met zijn leeftijdsgenootjes
• Hij durft in een groep kinderen voor zichzelf opkomen in de zin dat hij zijn deel van spelmateriaal durft nemen, hij wordt niet meer boos als een ander kind iets van hem neemt
• Hij tekent een pagina niet meer vol met cijfers en pijlen, hij tekent niet meer met krijt op de speelplaats
• In de klas begrijpt hij opdrachten beter, en voert ze goed uit
• Hij is minder handtastelijk naar de meisjes toe
• Hij is met momenten niet meer onbeleefd tegen de leerkracht maar integendeel heel lief en beleefd
• Tijdens de schrijfoefeningen is hij rustig, en doet hij wat hem gevraagd wordt
• Het met de armen fladderen is verdwenen, de geluiden zijn verbeterd, hij maakt soms wel nog heel plots vreemde geluiden als hij rustig aan het werk is
• Hij gaat niet meer achterstevoren op zijn stoel zitten of met zijn stoel tegen de banken bonken, op de banken slaan of er bovenop gaan staan
• Hij gooit niet meer met dingen van andere kinderen
• Hij gaat liever dan vroeger naar buiten in de school, i.p.v. in de klas te willen blijven
• In de tekenles doet hij nu heel goed zijn best bij het tekenen en het knutselen
• Hij is rustiger in de schoolbus
• Hij kan nu en dan heel aandachtig luisteren, hij is meer dan vroeger aanwezig als hij aangesproken wordt, hij doet nu soms heel hard zijn best om mee te werken
• Hij kan de namen van alle kinderen onthouden
• Hij kan delen met anderen
• Hij kan de volgorde van opruimen onthouden in de tekenles
• Als hij bij schoonschrift iets minder mooi schrijft, reageert hij er niet meer op, als zijn moeder hem op een fout wijst, kan hij dat zonder paniek en faalangst aanvaarden
• Hij praat niet meer tegen zichzelf
• Als hij eet is hij daar nu los van, hij praat met zijn broer terwijl hij eet, hij hoort het als er tegen hem gesproken wordt, hij rangschikt het voedsel niet meer steeds op dezelfde manier voor zich
• Hij merkt het op als zijn moeder verdrietig is, hij vraagt: ‘mama, wat is er ?’, tot nu merkte hij zoiets niet en het kon hem ook niets schelen
• Hij zegt niet meer dat hij moet tekenen omdat de dingen anders in zijn hoofdje blijven, het tekenen doet hij niet meer
• Hij moet niet meer zo nodig op zijn stoel zitten om zich aan te kleden, hij kan zich nu ook elders aankleden, hij kan op zijn stoel zitten zonder dat het matje erop ligt
• De volgorde van eten en TV kijken heeft geen belang meer als hij thuiskomt van school, hij kan zich aanpassen naargelang de situatie
• Hij kleurt minder dan vroeger, als een punt van een potlood breekt maakt hij er geen drama meer om
• Iets wat hij eet mag in stukken breken, hij eet het zonder heibel verder op
• Hij sluit de deur niet meer voor zijn moeder kan binnenkomen
Resultaten na een volgende reeks van 150 uur (5 weken)
In de klas is het gedrag van Tijs met momenten merkelijk verbeterd maar op andere ogenblikken (een derde van de tijd) is het nog storend. Er zijn vooral patronen zoals: ‘een dwang om aandacht te krijgen’, ‘een dwang om op te vallen’, ‘een dwang om rond te lopen’ die nog maar voor een stuk afgebroken zijn en nog voldoende krachtig aanwezig zijn om zich nog sterk te manifesteren. Patronen van dwang zijn meestal moeilijker te vernietigen dan veel andere patronen van gedrag. Er zijn wel enkele andere punten gedeeltelijk of volledig gecorrigeerd.
• Hij maakt geen storende geluiden meer
• Hij is met momenten opmerkelijk rustiger in de klas
• Hij mag volgend jaar overgaan naar het derde jaar en daarom krijgt hij nu al leerstof en oefeningen van het tweede jaar (het eerste en tweede jaar zitten in de dezelfde klas), hij werkt met momenten met volle concentratie aan de oefeningen, op andere momenten is hij nog zeer gemakkelijk afgeleid
• De maandag en de donderdagvoormiddag mag hij bij de taakjuffrouw (oefeningen maken) gaan en daar werkt hij zeer goed mee
• Bij overgangen zijn er geen problemen meer, hij doet gewillig wat verwacht wordt
• Hij blijft niet meer in de schoolgang bij de zetel treuzelen, maar gaat gewillig naar buiten
• Hij plaagt andere kinderen minder, er zijn minder vechtpartijen met andere kinderen, hij zegt iets meer tegen andere kinderen en vraagt het als hij iets wil hebben
• Hij luistert beter en hij is minder ongehoorzaam, de lerares moet iets minder herhalen vooraleer hij reageert en doet wat hij moet doen, hij spreekt minder tegen
• Hij is minder onbeleefd, hij is meestal wel beleefd
• Bij een nieuwe leerkracht blijft hij rustig
• ‘Ineens gaan wenen’ heeft zich niet meer gemanifesteerd
• In de turnles gaat hij niet meer apart zitten
• Hij doet het gedrag van andere kinderen niet meer na
• Op de speelplaats is het achter de andere kinderen aanrennen sterk verminderd en hij belandt niet meer op het gras, hij doet mee aan andere spelletjes met de kinderen
• Thuis moet zijn moeder het minder herhalen als ze iets zegt of vraagt, hij hoort het, hij zegt eerst neen en doet dan toch wat hij moet doen, hij hoort het meer als iemand iets zegt
• Hij speelt thuis rustig met andere kinderen, zonder geplaag, hij kan hen soms al eens zeggen wat hij wil, b.v. dat hij een zeker spelletje wil spelen, als hij dan niet onmiddellijk zijn zin krijgt wil hij zijn zin doordrijven maar na een beetje aandringen van de anderen legt hij zich erbij neer
• Hij lijkt alsof hij iets beter emoties van mensen begrijpt, toen zijn moeder boos was, vroeg hij: ‘waarom zeg je niets meer, ben je boos ?’, vroeger trok hij een raar gezicht bij boosheid van zijn moeder of deed hij haar met geluiden na
• Hij lijkt meer op te merken bij mensen, hij lijkt meer zaken op te merken in zijn omgeving
• Hij kan zich iets beter uitdrukken, bij een voorval waarbij zijn moeder hem vroeg: ‘wat heeft die persoon gezegd?’, kon hij zeggen: ‘het is moeilijk’, dit betekent dat hij kon zeggen wat hij het moeilijk vond om op die vraag te antwoorden, vroeger zou het antwoord geweest zijn: ‘ik weet het niet’, hij kon het dan ook nog zeggen wat de persoon gezegd had, dit betekent dat hij meer waarneemt of luistert
• Hij maakt er geen drama meer van als zijn voeding niet netjes naast elkaar in zijn bord gelegd wordt of als er saus of kaas op het andere voedsel komen
• Hij kan het aanvaarden als zijn rekenmachine niet mee in de auto mag of als hij ze vergeten meenemen is
• Ineens zonder reden wenen gebeurt niet meer, als hij weent kan hij zeggen waarom hij weent als het hem gevraagd wordt
• Hij kan kritiek aanvaarden, zowel thuis als in de klas, hij probeert na een opmerking het opnieuw te doen op de juiste manier
• Hij heeft geen last meer van eczeem
• Er hebben zich sedert het begin van de behandeling geen nieuwe steenpuisten meer gevormd
Vanaf nu gaat de behandeling weer verder aan een ritme van twee uur per dag. Heel veel negatieve gedragspatronen zijn volledig of gedeeltelijk verbeterd. Toch is Tijs nog altijd heel gesloten, hij vertelt niets uit zichzelf. Hij kan zich soms beter concentreren maar heel dikwijls is hij nog afgeleid door zaken in de omgeving. Deze twee punten worden nu eerst behandeld. Er zal één uur per dag op geslotenheid gewerkt worden en één uur per dag op concentratie.
Resultaten na een volgende reeks van 100 uur (10 weken)
De grote vakantie is voorbij. Tijs heeft deelgenomen aan speelkampen waar alles goed verlopen is. Er waren geen speciale opmerkingen van de begeleiders, tenzij dat Tijs vlot meewerkte en zich normaal gedroeg in de groep en in contact met andere kinderen.
De eerste twee weken van het nieuwe schooljaar zitten erop. In school zijn er voorlopig geen problemen, Tijs heeft een gepast gedrag. Hij heeft zich vlot aangepast aan de nieuwe leraar en hij gaat graag naar school. Er is wel een licht plaaggedrag naar andere kinderen toe als de leraar met zijn rug naar de klas toe staat.
• Tijs’s moeder heeft kort met de leraar kunnen spreken, waarbij ze vernomen heeft dat Tijs goed meewerkt, rustig is, goed luistert, normaal omgaat met andere kinderen, er is een licht plaaggedrag, er is geen aandachtzoekend gedrag
• Thuis merkt zijn moeder dat er enkele puntjes die al beter waren, weer zijn teruggekomen: Tijs is weer gefrustreerd als een stukje van een koekje afbreekt, als iets niet lukt (b.v. iets uitknippen) is hij gefrustreerd en boos, nu en dan maakt hij kort weer wat geluiden en de laatste weken sprak hij weer op een klagende manier als het eten hem niet beviel, enkele keren is er ruzie geweest met zijn broer (het is normaal dat sommige puntjes die eerst beter waren nog wat terugkomen, omdat diepere lagen de kop opsteken, dit is niet erg, deze puntjes worden in de loop van de verdere behandeling wel weer beter)
• Het contact met volwassenen is duidelijk anders. Tot nu toe zou Tijs bij het ontmoeten van een vreemde persoon, deze ofwel volledig genegeerd hebben ofwel zou hij overmatig druk geworden zijn (geluiden maken, gezichten trekken, kattekwaad uithalen…), Tijs bezocht met zijn moeder, zijn broer en een vreemde man een speeltuin, Tijs sprak de man aan, hij betrok de man in het spel, op een zeker moment ging de moeder met de broer naar de ene kant van de speeltuin en Tijs ging mee met de man naar de andere kant en praatte met hem, voorheen zou hij absoluut geweigerd hebben om alleen met die persoon mee te gaan en weg te gaan van zijn moeder
• Tijs’s moeder heeft een nieuwe vriend, Tijs heeft er zeer goed op gereageerd, hij heeft spontaan een hand gegeven (i.p.v. van zich terug te trekken zoals vroeger), en hij sprak de man spontaan aan, hij vroeg spontaan dingen (i.p.v. van geen woord te zeggen en de persoon te negeren zoals vroeger)
• Hij kan zich beter uitdrukken, vroeger nam hij wel eens de telefoon op maar dan zei hij niets en antwoordde hij ook niet op wat de persoon zei, tenzij soms met een ja of een neen, nu zegt hij zijn naam als hij de telefoon opneemt en hij geeft uit eigen beweging uitleg, als de persoon die opbelt vraagt naar zijn moeder, antwoordt hij spontaan: ‘mijn moeder is op reis, ze komt pas dinsdag terug, nu zorgt mijn grootmoeder voor ons’
• Als hij iets wil hebben, b.v. nog een portie voedsel, dan slaat hij nog altijd eerst op de tafel, maar daarna zegt hij wel dat hij nog bij wil
• Als je hem een vraag stelt, krijg je iets meer uitleg dan vroeger
• Hij is veel rustiger
• Hij kan langer zijn aandacht bij iets houden, hij zal b.v. de tafel zetten zonder ondertussen diverse keren afgeleid te zijn en iets anders tussenin te gaan doen, hij kan beter doorwerken aan zijn huiswerk dan vroeger, maar het moet toch nog verbeteren, hij is toch nog wel eens afgeleid
• Uit zichzelf vertelt hij nog altijd zeer weinig, hij is nog altijd heel gesloten, een paar keer heeft hij toch iets uit zichzelf verteld over een prettige gebeurtenis
• Het contact met volwassenen en kinderen is verbeterd, maar toch zit Tijs nog altijd sterk in zijn eigen wereldje en heeft hij nog moeite met het begrijpen van gevoelens bij andere mensen
De behandeling gaat verder aan een ritme van twee uur per dag, één uur op geslotenheid en één uur op concentratie.
Resultaten na een volgende reeks van 100 uur (10 weken)
Tot nu hadden we eigenlijk wel een goede vooruitgang geboekt bij Tijs. Heel veel punten waren verbeterd of volledig beter zodat het leek of Tijs tot de ‘rappe groep’ behoorde. Meer en meer blijkt echter dat Tijs op sommige punten traag vooruitgaat en de laatste tijd regelmatig terugvalt in patronen die al verdwenen waren. Dit komt omdat diepere lagen de kop opsteken. Tijs behoort dan toch tot de ‘middengroep’. De geslotenheid en concentratie verbeteren traag, alsook het in zijn eigen wereldje opgesloten zitten (dit laatste punt is iets wat in de regel zeer traag verandert, ook bij mensen die niet autistisch zijn maar die toch sterk in hun eigen wereldje zitten).
Intussen weet Tijs’s moeder iets meer over de schoolprestaties: Tijs is goed in rekenen maar heeft moeite met vraagstukken en taal, voor taal hij heeft een achterstand t.o.v. andere kinderen. Tijs maakt ook opmerkingen dat hij taal niet wil doen en hij doet ook niet graag dictee.
• Tijdens de maand september ging alles redelijk goed, vooral in school was het opvallend hoe het gedrag van Tijs verbeterd was t.o.v. vorig jaar, de leraar en de schooldirecteur hadden zich aan het ergste verwacht maar waren verrast over het positieve gedrag van Tijs. Vanaf de maand oktober ging het echter bergafwaarts, vooral de laatste weken van oktober was Tijs weer lastig in school
• Enkele gedragspunten thuis die al beter waren, manifesteerden zich de eerste twee weken van de maand oktober terug in erge mate: wanneer Tijs zijn zin niet kreeg, reageerde hij hevig gefrustreerd, met hevig wenen, kwaadheid, hevig klagend protest; hij trok weer gezichten om zijn ongenoegen te uiten (mondhoeken hevig naar beneden of naar boven, heftige bewegingen met de handen). Ook luisterde Tijs weer niet naar zijn moeder zodat hij niet hoorde wat er gezegd werd over wat moest gebeuren, Tijs was weer ongehoorzaam tegenover zijn moeder. Voor wat betreft de school stonden er opmerkingen in zijn agenda van zijn leraar over plaaggedrag (Tijs schreef in het schrift van andere kinderen, duwde een verfborstel in de haren van kinderen); verder een opmerking van de leraar dat Tijs bij een luistertoets niet luisterde naar de uitleg en daarna niet wist wat hij moest doen
• De laatste weken van oktober was het gefrustreerd reageren en het gezichten trekken weer beter, maar andere punten waren nog erger geworden: ongehoorzaamheid tegenover zijn moeder, tegenpruttelen en negeren, niet horen wat zijn moeder zei, nu en dan geluiden maken. In school vertoonde hij het volgende gedrag: plagen van andere kinderen, rondlopen in de klas, storende geluiden maken. Het was moeilijk om hem aan het werk te krijgen, hij luisterde niet tijdens de uitleg van iets, zeker niet als de uitleg in groep gebeurde, de leraar moest Tijs apart nemen om hem iets uit te leggen, waarbij hij dan wel luisterde. Verder was hij ongehoorzaam, wou niet altijd doen wat hij moest doen, hij deed iets gewoon niet. Hij stoorde andere kinderen zodat de leraar een lege bank liet tussen Tijs en andere kinderen, hij was erg verstrooid, nam de juiste boeken niet mee naar huis, vertoonde dominant gedrag tegenover zijn broer op de speelplaats (zijn broer moest spelen wat hij wou)
• In de loop van de maand november werd zijn gedrag geleidelijk aan weer beter, zowel thuis als in school, alle negatieve punten die terug de kop opgestoken hadden, waren weer verdwenen, de derde week van november meldde de leraar bij een contact aan de schooluitgang (waar Tijs bij aanwezig was) dat Tijs heel flink meewerkte, dat hij alles deed wat gevraagd was, dat hij (de leraar) heel fier was op Tijs, dat alles perfect ging, en dat Tijs, als hij zo verder deed, nog de beste van de klas zou worden
• Hij zit nu en dan iets minder in zijn wereldje, soms maakt hij een opmerking waaruit blijkt dat hij heel aanwezig is, dat hij volgt wat er gezegd wordt
• Hij vertelde enkele keren spontaan iets aan zijn moeder, zoals over het knutselen in de klas
• Tijdens een wandeling in het bos met zijn moeder, zag hij een groep kinderen van een jeugdbeweging en hij wou ernaar toe gaan, dit is iets wat hij vroeger nooit gedaan zou hebben, als hij de andere kinderen al had opgemerkt had hij er zeker geen contact mee gewild
Resultaten na de volgende reeks van 130 uur (13 weken)
De behandeling duurt nu ongeveer een jaar. Tijs is er op heel veel punten sterk op vooruitgegaan. Op het thema ‘in zichzelf gekeerd zijn’ daarentegen hebben we slechts een lichte verbetering bereikt. Dit is dan ook een heel moeilijk patroon. Het bestaat namelijk uit grote hoeveelheden materie en heeft zijn wortels op zeer diepe lagen in het onderbewustzijn. Het kan nog een tijd duren vooraleer Tijs helemaal uit zijn wereldje geraakt. Dank zij het feit dat de patronen dag en nacht onafgebroken vanzelf afpellen, kunnen we dit punt op langere termijn volledig verbeteren. Zonder het vanzelf afpellen zou het zogoed als onmogelijk zijn dit in belangrijke mate te corrigeren.
Er zijn ook nog een paar andere karakterpunten die verder moeten gecorrigeerd worden. Tijs wil in de klas soms nog te veel zijn eigen zin doen, bij dictee van woordjes haalt hij nu het maximum aan punten, maar bij dictee van zinnen heeft hij geen zin om te schrijven en doet hij dan ook weinig moeite, ook voor rekenen en vraagstukken wil hij niet altijd bijzonder veel moeite doen, alhoewel hij het wel kan. Zijn concentratie is verbeterd, maar toch is hij nog wel eens afgeleid en verstrooid. Als hij iets moet doen, heeft hij nog wel eens de neiging om het niet te doen of om iets anders te gaan doen, om uit te dagen. En hij is nu en dan nog wat boos. Algemeen gezien vertoont Tijs in de klas een heel positieve evolutie in zijn gedrag ten opzichte van het begin van het schooljaar (nu zijn we begin maart).
• Tijs is heel rustig in de klas, enkel bij de komst van een fotograaf eind november was hij nogal druk, maar voor de rest is zijn gedrag bijna voorbeeldig
• Hij luistert in de klas, daardoor zijn zijn resultaten een stuk de hoogte in
• Zijn dictees zijn heel veel verbeterd, hij is algemeen beter in taal, taal doet hij nu zelfs liever dan rekenen, de vraagstukken gaan nu ook goed
• Hij plaagt geen kinderen meer
• In een groep samenwerken met andere kinderen gaat nu heel vlot indien het om een kleine groep gaat, hij werkt nu ook goed samen met de meisjes en plaagt ze niet meer, in een grote groep moet de samenwerking nog beter worden
• Tot nu toe kon hij niet meegaan naar de bibliotheek met de klas omdat hij lastig deed, opvallend gedrag vertoonde (b.v. buiten de groep gaan lopen), nu kan hij meegaan want hij gedraagt zich perfect
• Als hij in het verleden met zijn moeder naar de bibliotheek ging, kon hij geen keuze maken uit de diverse boekjes, hij kiest nu zonder problemen de boekjes die hij wil lezen
• Zijn moeder heeft de indruk dat hij dingen beter begrijpt, dit merkt ze door zijn gezichtsuitdrukkingen, hij vertoont een blik van herkenning of begrijpen op zijn gezicht zoals ‘aha, zo zit dat in elkaar’ of ‘ik begrijp waar het over gaat’
• Er dringt meer bij hem binnen van de gesproken taal, hij hoort nog niet alles wat tegen hem gezegd wordt, maar dit gaat toch wel een stuk beter
• Nu en dan vertelt hij spontaan over iets dat gebeurde, hij begon b.v. spontaan tegen zijn moeder te vertellen over een berisping die hij van de leraar gekregen had, hij kon uitleggen wat er gebeurd was en hij kon uitleggen dat hij van een ander kindje stout moest zijn en dat hij het daarom gedaan had
• Als hij straf krijgt beseft hij nu waarom hij gestraft wordt, als zijn moeder hem vraagt uit te leggen waarom hij gestraft is, kan hij dit nu, vroeger wist hij het niet
• Hij is iets minder egoïstisch, hij doet soms spontaan iets voor zijn broer, zoals de boekentas van zijn broer meenemen van de garage naar de keuken, zonder dat iemand het vraagt, vroeger zou hij dit zeker niet uit eigen beweging gedaan hebben en zou ook geweigerd hebben als het hem gevraagd werd, een ander interesseerde hem nooit, alleen wat hij wou hebben was belangrijk
• Hij kan zich heel vlot aanpassen aan nieuwe mensen
• Eczeem en steenpuisten hebben zich niet meer voorgedaan
De behandeling gaat verder aan een ritme van twee uur per maand op het in zichzelf gekeerd zijn.
Resultaten na een volgende reeks van 150 uren (15 weken)
We zijn aan het einde van het schooljaar. Er is niet bijzonder veel vooruitgang geboekt gedurende deze reeks. Het is een normaal verschijnsel dat, eens de karakteristieken die tamelijk snel kunnen veranderen beter zijn, volgende verbeteringen trager komen. Dit komt omdat wat tot nu toe nog niet veranderd is, het resultaat is van grote patronen die heel diep hun wortels hebben. En daardoor kunnen er heel veel uren therapie over gaan om hardnekkige thema’s in orde te krijgen.
Tijs is op het einde van het schooljaar vijf dagen op kamp geweest met de klas. Deze vijf dagen weg van huis, onafgebroken in een groep zijn ongelooflijk meegevallen. Dit was vorig jaar totaal ondenkbaar geweest. Tijs kon zich aan alles goed aanpassen, kon goed samenspelen met de anderen kinderen, werkte goed mee. Hij heeft niemand geplaagd en niemand pijn gedaan. De leraar heeft zelfs een opmerking gemaakt dat Tijs graag gezien is door de andere kinderen.
Zijn schoolresultaten waren goed. Bij het knutselen kan hij nu ook rustig en goed meewerken en is hij niet meer afgeleid. Zijn concentratie is verbeterd bij taken die hij moet uitvoeren maar is nog moeilijk bij het luisteren.
Zijn moeder merkt nog punten in zijn gedrag thuis die nog moeten verbeteren: hij wil nog teveel zijn wil opdringen aan andere kinderen of zijn broer bij het spelen. Hij pruttelt nog teveel tegen als hij iets moet doen dat hij niet graag doet. Hij wordt soms nog boos, en gaat daarbij soms hevig roepen. Als zijn broer hem plaagt, zegt hij niet dat hij dat niet graag heeft, maar doet zijn broer pijn.
Wanneer zijn moeder hem opdracht geeft om b.v. iets in de garage te gaan halen, doet hij dit gewillig, maar eens bij de garage aangekomen, weet hij niet meer wat het was dat hij moest halen.
Bij het observeren van zijn gedrag in een groep nieuwe kinderen, merkte zijn moeder dat hij eerst nog wat onwennig was en zich wat afzijdig hield. Maar het duurde niet lang en dan deed hij goed mee en kon hij zich goed aanpassen. Hij hielp spontaan opruimen in de groep, iets wat hij vroeger nooit zou gedaan hebben.
Resultaten na een volgende reeks van x uur
De obsessie die er was ivm met liften is verdwenen, hij gaat zonder problemen de trap op ipv de lift te moeten nemen en in de lift blijft hij rustig
BESCHRIJVING VAN DE PATRONEN
De patronen worden beschreven zoals ze zich in het onderbewustzijn bevinden. Soms is dit op de manier van: ‘je mag je niet aanpassen’ of op de manier van ‘hij (Tijs) mag zich niet aanpassen’. Soms is de inhoud van de patronen opgeslagen in conceptvorm (‘je zult je terugtrekken, je bent veilig alleen’) of in een verhaalvorm, met beelden en gevoelens, het gedrag is in de vorm van een tafereel vastgelegd. Dan wordt de inhoud van het tafereel eveneens beschreven in de vorm van: ‘hij wil zich terugtrekken, hij is veilig alleen’.
Patronen kunnen elkaar soms tegenspreken. In de ene situatie is het ene patroon actief en in een andere situatie is een tegengesteld patroon actief.
Patronen voor gebrekkig sociaal contact
• Je kunt niet loskomen van jezelf
• Er is niemand anders dan jezelf, je bent alleen jezelf
• Je hoort niet, je voelt niet (zorgt ervoor dat hij anderen niet opmerkt of dat hij het niet merkt als ze tegen hem spreken)
• Je houdt niet van anderen
• Je wilt weg van de anderen
• Sluit je af, draai je om (als iemand hem aanspreekt)
• Luister niet (als iemand hem aanspreekt)
• Hoor niets (als iemand hem aanspreekt)
• Je moet niet luisteren
• Zit totaal in zijn eigen wereldje en trekt zich van de wereld en de anderen terug, daar is het gezellig en veilig, in die wereld is het heel prettig, zonder het contact met de anderen, hij wil met niemand iets te maken hebben, hij wil geen contact met anderen, hij is heel graag op zijn eentje, op zijn eentje is het heel prettig, zonder de last en het gezaag van de anderen, weg van al die vervelende anderen, hij voelt zich bijzonder gelukkig en vredig als alle contact met de wereld is afgesloten en als hij zich gezellig kan terugtrekken in zijn wereldje
• Contact als onaangenaam aanvoelen, contact met anderen willen mijden, willen afgesloten zijn
• Je wil met niemand iets te maken hebben, sluit je af, trek je terug, je bent zo goed en veilig in jezelf, zo is alles toch zo goed, zo is er geen enkel gevaar
• Zich onwennig en angstig voelen bij contact met mensen, niet goed weten wat te doen bij contact met mensen, zich terugtrekken is de oplossing want dan voelt hij zich veilig
• Je voelt je verloren tussen mensen, de oplossing is je terug trekken in jezelf, je afsluiten van de wereld en versmelten met jezelf, dan ben je veilig, dan is er geen gevaar
• Angst voor mensen
• Hij zal nooit naar iemand toe gaan, die gedachte komt niet in hem op, hij blijft daar gewoon staan wachten, het komt niet in hem op om contact te leggen, integendeel, hij voelt een sterke neiging om zich terug te trekken, hij heeft het niet graag dat een ander contact zoekt, hij blijft daar liever gewoon zo staan, dan voelt hij zich het best
• Sterk met zichzelf bezig zijn, sterk met zijn eigen interesses bezig zijn, heel erg op zichzelf gericht zijn, weinig interesse voor een ander, voor niemand interesse behalve voor zichzelf (= egoïsme)
• ‘Je kan het niet horen’ (wat iemand zegt), hij ziet de mensen praten maar hij kan het niet begrijpen, het is alsof er een muur staat tussen hem en de ander, een muur die de woorden ondoordringbaar maakt, hij voelt een enorme afgrond tussen hem en de ander als een ander spreekt, hij voelt zich daardoor uiterst verloren en angstig, de oplossing is zich afsluiten van de wereld en zich in zichzelf terugtrekken, daarom lijkt het voor een ander alsof hij niet luistert en krijgt de ander het gevoel dat hij onbereikbaar is
• Voelen dat hij iets zou willen zeggen en contact zou willen nemen, maar niet weten wat zeggen, er komen geen gedachtes om iets te zeggen, zich daardoor verloren voelen en zich terugtrekken
• Angst voor contact met mensen, schaamte omdat hij niet weet wat zeggen, zich daardoor verloren voelen bij mensen en daarom mensen mijden, zeker als hij ze niet kent
• ‘Je begrijpt niet wat een ander zegt, het is toch allemaal zo onduidelijk’, daardoor angst voor contact met mensen, daardoor zich afsluiten van mensen, in een onbereikbaarheid voor contact overgaan om zich te beschermen, in een trance overgaan en niet meer bereikbaar zijn voor anderen als hij aangesproken wordt
• Je moet aandacht krijgen, zoniet besta je niet
• Het gevoel hebben van geen contact te kunnen leggen en zich daardoor heel hulpeloos voelen, de oplossing is ruw gedrag, zoals iemand duwen enz. om toch maar contact met iemand te kunnen maken, om toch maar niet helemaal afgesloten te zijn van de anderen
• Zich heel eenzaam voelen omdat hij geen contact kan leggen en daardoor dolle dingen doen om de aandacht te trekken, uit angst om geen aandacht te krijgen en uit angst om niet opgemerkt te worden door anderen ontstaat een obsessie om aandacht te krijgen, aandacht krijgen is de enige manier om uit het afgesloten zijn van anderen te ontsnappen, als hij dolle dingen doet wordt hij gestraft, zijn de anderen boos en krijgt hij aandacht, dan is hij minder alleen, als iemand boos is, is zijn of haar aandacht op hem gericht en voelt hij zich minder alleen, voelt hij een contact met anderen dat er anders niet is, is hij ontsnapt van het afgesloten zijn van anderen, de dolle dingen die hij doet, zoals onder de tafel kruipen, met dingen van de kinderen gooien enz zijn vastgelegd in het patroon
• Je kunt geen contact leggen, je weet niet hoe dat moet
• Er is geen contact met anderen, je bent afgesloten, je kunt je niet uitdrukken, je kunt het niet zeggen wat je wilt zeggen, je kunt niet begrijpen wat ze zeggen, je kunt niet communiceren
• Er zijn geen gedachten
• Je vindt de woorden niet
• Je kunt je niet uiten, je kunt niet zeggen wat je voelt en denkt
• Hij zou zich willen uitdrukken maar de woorden komen niet over zijn lippen
• Je kunt geen woorden horen, je kan geen taal begrijpen, het dringt niet tot je door
• Er is geen taal, er zijn geen woorden, je mag niets zeggen, je kunt niet spreken
• Er is geen communicatie, er is afstand, elk leeft op zichzelf, er is geen mentale verbinding met anderen, de draad van contact is doorgeknipt
• Als iemand tegen hem spreekt verschuift hij in een soort trance, hij verschuift naar een wereld waar hij het niet kan horen wat gezegd wordt, waar hij in zichzelf zit, hij kan niet luisteren, hij kan geen aandacht hebben als een ander spreekt, hij verschuift naar afwezigheid van de wereld
• Je kunt alleen jezelf begrijpen, je kunt niet begrijpen wat een ander voelt
• Je kunt geen gezichtsuitdrukking begrijpen (dit zorgt ervoor dat hij onverwacht reageert, zoals glimlachen als iemand boos is)
• Je kunt het niet begrijpen wat een ander denkt
• Je kunt de wereld van de ander niet begrijpen
• Je voelt geen contact met anderen, je zit in je eigen wereld, je bent vastgemaakt aan jezelf
• Wat een ander zegt is onbegrijpelijk, het dringt niet tot je door, je kunt niet antwoorden
• Je kunt je niet verdedigen, je weet niet hoe dat moet, + beeld van verloren staan wachten
• Zich alleen voelen, zich op een grote afstand van de anderen voelen, daar blijven staan, geen contact kunnen leggen
• Als hij iets wil vragen, kan hij dat niet, een angst overweldigt hem, een gevoel van hulpeloosheid en het niet weten hoe dat te doen (iets vragen) overweldigt hem, als verlamd blijven staan
• Hij zit diep in zijn eigen wereld, hij zit diep in zichzelf gekeerd, hij zit afgesloten van de wereld en van de anderen, de anderen interesseren hem niet, wat er met een ander gebeurt interesseert hem niet, wat een ander voelt interesseert hem niet, het enige wat hij kent en voelt is zichzelf, hij is aan zichzelf vastgeplakt
• Hij gaat over naar zijn eigen wereldje en wat een ander tegen hem zegt dringt niet door, het glijdt over hem heen, hij hoort het niet en hij begrijpt het niet, alleen zijn eigen denken en doen interesseert hem nog, daarbuiten is er niets dat hem nog raakt
• Angst voor ogen, kan niet in ogen kijken, angst voor mensen, niet op zijn gemak bij mensen, mijdt daarom oogcontact, niet op zijn gemak bij oogcontact, het is alsof ze de waarheid in hem zien bij oogcontact, hij wil zich verbergen
Patronen voor de lage frustratiedrempel
• Je moet je zin krijgen, het moet zijn zoals jij het wilt, zoniet is er frustratie + hevig stampen, slaan, woede
• Hij zit in zijn wereldje met zijn eigen dingen bezig en gaat daar totaal op in, is daar totaal mee versmolten, voor hem is er alleen nog dat en de rest van de wereld bestaat niet meer, een onderbreking is heel erg onverwacht en creëert een hevig gevoel van onevenwicht en frustratie
• Een beeld van een gekozen pad dat hij intens volgt, waar hij mee versmelt, als hij met iets bezig is versmelt hij met die activiteit, eruit losgerukt worden is ondraaglijk, vandaar een hevige reactie van wenen en ontsteltenis en woede
• Je gaat totaal op in je spel, je versmelt ermee, je wordt één met het spel, je wordt het spel, een onderbreking is alsof je zelf gebroken wordt, het is een aanval op jezelf, je kan dat niet begrijpen, je kan je er zomaar niet van losrukken + gevoel van enorme woede
• ‘Je wordt gestoord’ + een overweldigend gevoel van woede en onmacht
• Alles raakt, alles is frustrerend
• Elke onregelmatigheid is frustratie, als er iets niet doorgaat, als er iets onverwachts afbreekt voel je een enorme frustratie + het gevoel van de frustratie
• Je kunt het niet verdragen dat er iets afbreekt, iets moet opeenvolgen (een actie), een actie mag niet voortijdig stoppen, een actie moet het begin en het normale eindpunt kennen, als een actie afbreekt of onderbroken wordt, is dat zo’n ondraaglijk gevoel van frustratie dat alleen met roepen en slaan en stampen het ondraaglijke onaangename gevoel kan verlicht worden, door het schreeuwen en slaan en stampen verdwijnt het zeer onaangename gevoel geleidelijk aan
• Een gevoel van frustratie laten merken door klagend spreken of tegenspreken, een intens gevoel van zelfmedelijden en van verdriet
• ‘Het mag alleen zó en op geen enkele andere manier’, door dit patroon heeft Tijs altijd een zekere verwachting van hoe de dingen zullen lopen en houdt hij geen rekening met een andere mogelijkheid, in zijn geest is er maar één weg en die weg is een vanzelfsprekend iets, als er dan iets op een andere manier verloopt is dat zó onverwacht en ondraaglijk dat hij hevige frustratie voelt en dit uit door woedend te worden
• Je kunt over niets heenstappen (wil zeggen, je kunt je niet aanpassen), als dit niet zo kan verlopen voelt hij zich ellendig
• Er mag niets veranderen, alles moet blijven, niets mag variëren, het moet steeds hetzelfde blijven, zoniet is er frustratie
• Het niet aankunnen dat er iets verandert, een verandering van een gegeven lijn of een gekozen pad is onbegrijpelijk en bijzonder traumatisch en frustrerend, het is vanzelfsprekend dat alles blijft zoals het is, het is onnatuurlijk dat er iets verandert + de zin ‘waarom moet het zó ?’ (zoals hij dan ook letterlijk zegt als er iets anders moet dan hoe hij het denkt)
• Je voelt je ellendig als iets tegengaat, je voelt een grote frustratie
Patronen voor storend gedrag in de klas
• Een patroon met een beeld van: een struisvogel die geagiteerd rondloopt en die geluiden maakt, een slang die over de grond kruipt en die sist, een uil die met de vleugels fladdert en geluiden maakt, een haas die huppelt, een dier dat eten steelt uit het hol van een ander en vecht als het ander dier het eten terug wil krijgen, een haan die kraait enz. Als dit patroon actief is, dan verschuift Tijs naar de persoonlijkheid van één van de vermelde dieren en krijgt een gedrag dat op dat van de dieren lijkt.
• Een dwang om rond te lopen
• Een dwang om aandacht te krijgen
• Een dwang om op te vallen
• Een dwang om in de belangstelling te staan
• Een drang om een ander te plagen + beelden van hoe het plaaggedrag verloopt, op welke manier hij andere kinderen moet lastig vallen zoals duwen, slaan, schoppen, iets in het haar van een ander steken enz.
• In een situatie waarbij de aandacht van de leerkracht niet op hem gericht is, moet hij iets doen om de aandacht te trekken, dus kinderen plagen omdat hij dan berispt wordt en de aandacht van de leerkracht naar zich toetrekt
• In een situatie waarbij hij stil moet zitten in een groep en moet luisteren naar iemand die vooraan staat, voelt hij zich helemaal verdwijnen in het niets, het is alsof hij niet meer bestaat, hij voelt zich daarbij niet op zijn gemak, hij wordt overspoeld met ‘angst voor verdwijnen’ (niet meer bestaan), hij wil daaruit ontsnappen, hij wil dat niet voelen, de enige mogelijkheid om eruit te ontsnappen is zorgen dat hij voortdurend los is van de groep door een ander gedrag te manifesteren dan stilzitten in de groep en luisteren naar iemand vooraan, de verschillende types gedrag zoals rondlopen, op de bank gaan staan, aan een ander zijn haar trekken, roepen, met de lat slaan of gooien enz. zitten geprogrammeerd in het patroon
• Hij moet bewegen, hij kan en mag niet stilzitten, hij moet in actie zijn
• Als er iets verandert (een overgang naar een andere activiteit) is dat frustrerend en verrassend voor hem, want in zijn denken blijft een actie die begonnen is, duren, ook al heeft hij de verandering eerder al meegemaakt, voor hem is het alsof het nog nooit gebeurd is, hij wil de actie blijven verder zetten, dus zal hij een moeilijk gedrag manifesteren, zal hij tegenwerken om zijn zin te krijgen
• Je kunt de wereld rondom jou niet begrijpen, je weet niet hoe het moet, je zit in je wereldje en je doet wat in je opkomt (b.v. op de bank gaan staan, tegen een ander kind duwen, met de lat op een ander slaan, opstaan en rondlopen …)
Patronen voor vasthouden aan routines, steeds iets op dezelfde manier doen
• Zie voorbeelden i.v.m. verandering bij patronen voor frustratie
• Hij weet totaal niet wat hij moet doen met iets dat nieuw is, hij kan zich niet beroepen op wat hij al allemaal kent uit het verleden want hij is daar mentaal totaal van afgesloten, er is geen associatie met informatie die zich in zijn hersenen bevindt over situaties van vroeger, alles lijkt helemaal nieuw, hij kan geen dingen die hij al geleerd heeft gebruiken om deze situatie op te vangen omdat er geen toegang is tot deze dingen in de hersenen, dus staat hij daar verloren en weet hij niet wat te doen
• Als iets zich voor de eerste keer voordoet, wordt het patroon van hoe het de eerste keer gebeurt in zijn hersenen gebrand, en daarna kan het nooit meer veranderen of variëren, vandaar dat een spel nadat het de eerste keer op een zekere manier gespeeld is, nooit meer kan veranderen, hij kan ook geen spelinzicht opbouwen want elke nieuwe stap is iets nieuws en bij iets nieuws kan hij zich niet beroepen op wat hij al kent omdat er geen info uit de hersenen naar boven komt, hij kan dus niet opbouwen
• Het moet steeds zo blijven zoals het de eerste keer was, het is heel frustrerend om daar vanaf te stappen want Tijs voelt dat aan als tegennatuurlijk, zoals het de eerste keer was, zo zit het in zijn hoofd, een aanpassing of variatie van hoe het in zijn hoofd zit is tegennatuurlijk
Patronen voor ‘alles moet lopen zoals hij het in zijn hoofd heeft’, hij zit op zijn eigen spoor
• Je mag je niet aanpassen, je moet het doen zoals jij het wilt, jij denkt het zó en zo moet het ook, het mag niet op een andere manier, er is geen andere weg, zó hoort het
• Luister niet naar de anderen, zij weten het niet, jij weet het, wijk daar niet van af, wijk niet af van wat jij denkt, wat jij voelt is juist
• Hij kan alleen iets beschouwen vanuit zijn eigen gezichtspunt, hij kan geen enkel ander gezichtspunt begrijpen, hij beseft ook niet dat er andere gezichtspunten mogelijk zijn
• Hij kan niet loskomen van iets dat hij in zijn hoofd heeft, als hij iets op een zekere manier denkt, dan blijft hij daaraan vasthouden en geen enkele inbreng van buitenaf zal daar iets aan veranderen
• Je moet vasthouden aan wat je denkt, je moet vasthouden aan wat je voelt, je moet vasthouden aan zoals jij het ziet, zo is het juist
• Het kan op geen enkele andere manier, het kan alleen zó
Patronen voor het heel snel afgeleid zijn, zich niet kunnen concentreren op iets
• Je zit steeds in gedachten, je bent steeds met iets bezig, je kunt je daar niet van losmaken, wat buiten jou gebeurt interesseert jou niet, je wilt niet luisteren naar de ander, je wilt niet doen wat de ander wilt, wat jou bezighoudt is je ganse wereld, daar is al jouw interesse, daar denk je aan, je bent in niets anders geïnteresseerd
• Je moet niet luisteren naar wat de ander zegt, dat is niet belangrijk (hij is helemaal vertrokken naar zichzelf als iemand een verhaaltje vertelt)
• Je luistert niet
• Je denkt aan iets anders, je moet aan iets anders denken, een dwang om aan iets anders aan te denken (iets anders dan het onderwerp waar hij zou moeten aan denken), een dwang om iets anders te doen (iets anders dan wat hij zou moeten doen)
• Het interesseert jou allemaal niet, het laat je allemaal onverschillig, het is niet belangrijk
• Een dwang om steeds te denken, hij kan niet met zijn gedachten bij iets blijven
• Je kunt niet focussen, je kunt niet met je aandacht bij iets blijven, je aandacht glipt naar iets anders
• Het andere is interessanter
• Je kunt je niet concentreren, je bent altijd afgeleid, je kan er niet met je aandacht bij blijven, je bent altijd afgeleid
• Je kunt niet luisteren, je moet aan iets anders denken
• Je kunt niet luisteren, je bent afgeleid, je moet iets anders doen + beelden van rondlopen, anderen plagen, de boel op stelten zetten
• Er is een afwijking in de samenstelling van het hersenvocht waardoor er geen geleiding is van iets en als gevolg daarvan kan hij zich niet op iets concentreren
Patronen voor het zeer detailgericht zijn en niet kunnen loskomen van een detail
• Hij ziet het geheel niet, hij pikt er één deeltje uit, hij kan slechts met één deeltje van een geheel werken en hij blijft daar dan ook aan vasthouden, het is moeilijk om dat detail los te laten, als hij het al kan loslaten, zal hij zich weer richten op een volgend detail, hij kan enkel stap voor stap door iets heengaan en hij houdt lang vast aan elke stap
• Hij kan zich geen geheel voorstellen, hij kan zich telkens maar richten op het deeltje van het geheel waar hij op dat moment mee bezig is, als hij b.v. een tekening inkleurt, dan ziet hij niet gans de tekening, maar alleen het deeltje dat hij kleurt
• Als hij met iets geconfronteerd wordt, pikt hij er automatisch één iets uit en dan wordt zijn aandacht daaraan geplakt, hij kan alles wat er rond is niet meer waarnemen
• Bij het opruimen van speelgoed kan hij de volgorde niet onthouden: hij kan het geheel niet rangschikken in zijn geest, hij kan enkel alle stukken apart beschouwen, hij kan ze niet in een volgorde aaneenrijgen
Patronen voor niet willen delen met anderen
• Hij kan iets niet loslaten, hij heeft het in zijn hoofd geprent dat iets hem toebehoort en dat kan nu nog alleen zo verder gaan, er is geen mogelijkheid tot verandering
• Zodra hij iets bekomt behoort dat hem toe, hij kan geen enkele andere mogelijkheid meer overwegen
• Hij kan het gevoel van een ander totaal niet begrijpen, hij kan alleen zijn eigen gevoel begrijpen, en zijn gevoel is dat iets hem toebehoort, hij bezit geen enkele mogelijkheid om zich te verplaatsen in een ander en te kunnen beseffen dat een ander ook graag iets heeft, een totaal ontbreken van empathie, hij kent uitsluitend zijn eigen gevoel en denken en zit daaraan vast, er is maar die ene werkelijkheid, wat hij zelf wil, een andere werkelijkheid bestaat er niet voor hem
Patronen voor dominantie naar zijn broer toe
• Hij wil zijn wil opleggen aan anderen, hij kan het niet confronteren dat er iets niet zou gaan zoals hij het zou willen, daarom moet de ander doen wat hij wil, er is geen andere weg, indien dit niet mogelijk is (bij andere kinderen dan zijn broer) zal hij zich afsluiten van anderen
• Hij kan niet loskomen van zijn eigen denken, in zijn geest ligt het vast hoe iets moet verlopen, hij bemerkt dat een ander de dingen anders wil aanpakken, dat kan hij niet confronteren, daarom moet een ander het doen zoals hij de dingen wil hebben, als die ander dat niet doet zal hij slaan om die ander te dwingen tot gehoorzaamheid
Patronen voor imiteren van het gedrag van anderen
• Zich heel onzeker voelen, niet weten hoe iets moet, zich alleen voelen, zich niet omringd voelen met steun, en dan ziet hij een voorbeeld, en dan voelt hij een steun, als hij het gedrag naaapt voelt hij zich niet meer alleen, is hij versmolten met de ander
• Je moet doen wat een ander doet, dan ben je juist
• Een ander weet hoe het moet, volg de ander, dan kun je niet mislukken
Patronen voor perfectionisme
• Het zit in zijn hoofd hoe iets moet gebeuren, tot in het kleinste detail, b.v. alle lettertjes op een rij moeten mooi geschreven zijn, het kan alleen zó uitgevoerd worden, er kan geen enkele afwijking zijn
• Hij kan zichzelf niet toestaan fouten te maken, dit is een bijzonder frustrerend iets omdat het dan afwijkt van wat hij zich vooropgesteld had, van het idee dat hij zich in het hoofd gevormd had, van hoe het had moeten gebeuren
Patronen voor alleen iets kunnen eten als het in zijn geheel is
• Niets mag breken, niets mag afbreken, alles moet heel zijn + een sterke dwang dat dit zo moet zijn, als dit niet kan wordt een patroon met gevoelens van hevige frustratie geactiveerd
Patronen voor het rangschikken van voedsel naast elkaar
• Verschillende zaken moeten altijd naast elkaar liggen, niets mag boven of onder iets anders liggen, het kan alleen zo, dit is de enige manier
Patronen voor een klagende houding
• Een patroon dat hem die klagende houding oplegt is chronisch actief, het patroon bevat als inhoud zijn manier van klagen en de woorden die hij zegt als hij klaagt
Patronen voor het maken van geluiden en het trekken van gezichten
• Je moet geluiden maken + de soort geluiden en het ritme waarop het gebeurt, een dwang om de geluiden te produceren
• ‘Je bent verdoofd, je bent niet aanwezig’, Tijs schuift in dit patroon zodra zijn aandacht niet op iets staat, dit activeert een tweede patroon: Tijs gaat over in een mentale verdoving, in een bewustzijnstoestand van automatisme, en hij gaat geluiden maken en gezichten trekken zonder dat hij zich daarvan bewust is, het soort geluiden en de soort gezichten zijn vastgelegd in het patroon
• Een patroon met ‘waw, waw, waw …’ (als dit patroon geactiveerd wordt herhaalt hij dat woord onophoudelijk)
• Hij gaat over in een trance, hij gaat over zijn wereldje, hij glijdt naar een mentale toestand van verdoving, naar een innerlijke wereld die is afgesloten van de buitenwereld en dan ontstaat het automatisme van geluiden maken: knorren, krijsen, grommen, zoals een dier dat zich diep in zijn hol terugtrekt en in zijn innerlijke wereldje wegglijdt en dezelfde geluiden maakt
• Als hij een zekere klank hoort kan een patroon geactiveerd worden waardoor hij oneindig die klank gaat nabootsen of herhalen
Patronen voor veel weg en weer lopen en achter andere kinderen rennen
• Een dwang om te bewegen, niet stil kunnen staan, er moet iets te doen zijn, niet kunnen confronteren dat er niets te doen is, hij moet bewegen, hij moet lopen
• Een patroon met een beeld van wat hij doet op de speelplaats: met krijt tekenen op de grond of achter de andere kinderen rennen
Patronen voor afkeer voor klei, het niet willen aanraken
• Wat nieuw is is gevaarlijk
• Je kent het niet, hou het op afstand
• Ga er niet mee om, het kan gevaarlijk zijn
Patronen voor ongehoorzaamheid
• Bij een bevel van buitenaf (= iets wat hij zelf niet kiest) verzet hij zich met alle macht tegen wat hij moet doen + ‘maar neen, ik doe dat niet, ik moet het altijd doen !’ (deze woorden zitten letterlijk in het patroon)
• Je moet dingen doen die je niet moet doen, je moet het anders doen dan gewenst
• Je moet aandacht krijgen, je moet dwarsliggen
• Je mag niet meewerken, je mag een ander niet plezieren, je moet dwarsliggen
• Je mag het niet doen zoals een ander het wil
• Als hij zijn gedachten op iets heeft, als een bezigheid hem heel erg interesseert, dan is zijn aandacht daar voor 100% op gericht, er is niet 1% vrij voor perceptie van andere zaken, hij is versmolten met de bezigheid, als iemand hem dan iets zegt of hem vraagt iets te doen, hoort hij het niet (dit lijkt dan ongehoorzaamheid)
Patronen voor echolalie en echopraxie
• Je moet klanken nabootsen
• Je moet handelingen (van een ander) herhalen
• Je moet het nabootsen (geluid + actie)
Patronen voor urenlang tekenen met krijt
• ‘Je zult tekenen met krijt’, wat hij tekent zit in beeldvorm vervat in het patroon, eens hij eraan begint gaat hij over in een automatisme van urenlang tekenen met krijt, hij gaat er heel diep in en is mentaal weg van de wereld, hij is een machine geworden die tekent op bevel van het patroon
Patronen voor tekenen van cijfers en pijlen
• Hij gaat over in een trance, in een automatisme, heeft niet zijn aandacht bij wat er in de omgeving gebeurt, en tekent, wat hij tekent zit in het patroon
Patronen voor interesse in liften
• Wat op en neer gaat is bijzonder fascinerend, Tijs wordt ernaar gezogen, is geobsedeerd om erbij te zijn
Patronen voor fladderen als een vogel
• Een patroon met een beeld: rechtstaan en de armen wijd spreiden en op en neer gaande bewegingen maken, dit patroon wordt geactiveerd als hij wil opvallen doordat een ander patroon actief is: je krijgt geen aandacht meer, je moet nochtans aandacht krijgen, zoniet besta je niet, zorg dat je opvalt, zo wordt je niet vergeten, zo verga je niet
Patronen voor intens genieten van voedsel en helemaal in het proces van eten opgaan
• Als hij eet trekt hij zich helemaal terug uit de werkelijkheid, alle contact met de wereld is afgesloten, hij is intens geconcentreerd op het eten, er bestaat nog slechts één ding, namelijk het eten, hij is ermee versmolten
Patronen voor het probleem i.v.m. de tijd
• Een patroon met een beeld van iemand die met een activiteit bezig is en daar helemaal in opgaat, iemand die mentaal totaal afgesloten is van de buitenwereld, en niets hoort of ziet van wat rond hem gebeurt, er is alleen de activiteit, er is versmelting met de activiteit, onbewust is het genoemde uur waarop iets moet gebeuren wel binnengedrongen, heel kort vóór het tijd is voor iets komt Tijs los uit de intense versmelting met de activiteit, hij realiseert zich dat hij op tijd voor iets moet zijn en wordt overweldigd door een hevig gevoel van paniek, er is ook het gevoel dat dit de eerste keer is dat dit gebeurt, het uur waarop iets moet klaar zijn komt in de vorm van een bedreigend beeld van een reuzengroot blok voor hem te staan, als een boosaardig iets dat hem zal grijpen als hij niet op tijd is, en hij roept in een poging om dat beeld op afstand te houden : ‘altijd die tijd, die tijd is verkeerd, die tijd loopt te snel, ik wil dat niet’, met hevig stampen, woede, enz om het beeld op afstand te houden
Patronen voor niet kunnen verliezen bij een kaartspel, de eerste in de school of in een rij willen zijn
• Je moet winnen met een gevoel van sterke dwang erbij
• Je mag in niets verliezen, je moet altijd de eerste zijn, je moet altijd vooraan staan, niemand mag je voorsteken, niemand mag je overtroeven
• Je moet de ander overtroeven, je moet als eerste er zijn, je moet als eerste aankomen
• Je moet eerst zijn
• Je moet de beste zijn
Patronen voor onder de planken gaan liggen in de klas
• Als er veel volk is moet je je afzonderen, moet je je plekje apart vinden waar niemand je kan zien, zorg voor een scheiding tussen jezelf en de rest
Patronen voor ’s nachts schreeuwend wakker worden
• Er wordt ’s nachts een patroon geactiveerd met de volgende inhoud: Tijs gaat binnen in een hol, hij wordt in een razende vaart in een beweging als van een draaikolk door een diepe gang naar beneden gesleurd, daar wachten hem marteltuigen en wilde dieren, er ontstaat een geweldige angst en die doet hem wakker schieten, aangezien hij door de andere patronen die ervoor zorgen dat hij niet kan loskomen van iets, niet merkt dat zijn moeder in de kamer komt, en dat er geen gevaar is, blijft de bizarre toestand nog een tijd duren, hij gaat op het bed staan als hij losser komt van de angst en hij zich bevrijd voelt uit het hol en zich erbuiten waant
(wat mensen dromen komt voort uit de patronen en komt niet voort uit gegevens in de hersenen)
Patronen voor slecht zijn in sport
• Een patroon dat de energieën die zorgen voor controle over het lichaam onderdrukt waardoor er weinig voeling is met zijn eigen lichaam en Tijs weinig controle heeft over zijn lichaam
Patronen voor eczeem
• Een eerste patroon: ‘je mag niet gelukkig zijn, je moet pijn lijden, je mag geen levensvreugde kennen’ activeert een tweede patroon: er is een scheikundige reactie in de huidcellen die er normaal niet is, daardoor wordt een gifstof opgebouwd in de huidcellen, er ontstaat een stof die er normaal niet aanwezig is. Deze stof reageert met voedingsstoffen in de huidcel die aangevoerd worden via het bloed. Door deze foutieve scheikundige processen ontstaat het eczeem.
Patronen voor de vorming van steenpuisten
• Er is een eerste patroon met als inhoud: ‘je moet lijden, je moet lelijk zijn, je moet afzichtelijk zijn, je moet verstoten worden, je mag niet gezond zijn, de huidcellen zullen veretteren’, dit patroon houdt ook een beeld in van de plaatsen waar de steenpuisten ontstaan. Dit patroon activeert een tweede patroon: door afwijkende scheikundige processen in de huidcellen blijft een residu achter dat een voedingsbodem is voor bacteriën. De aanwezigheid van de bacteriën zorgt voor een reactie van het immuunsysteem, vandaar de onderhuidse opbouw van etter.
POSITIEVE EIGENSCHAPPEN
• Gevoel voor muziek
Energie: een energie die verantwoordelijk is voor zeer fijn horen, voor het horen van zeer fijne tonen, een energie die ervoor zorgt dat hij een enorme gevoeligheid heeft voor het allerkleinste verschil in toon, een energie die een impuls geeft aan de hersenen, zodat verfijnde zenuwbanen gecreëerd worden voor het bevorderen van het gehoor
Energie: een energie van sereniteit, diepe rust en kalmte, een geluksgevoel in aanwezigheid van sommige geluidsgolven
Energie: de energie ‘muziek’, het geheel van tonen, het creëren van tonen, het versmelten van tonen tot een harmonisch geheel
Deelziel: die muziek kan creëren, die de kwaliteit ‘muziek’ is en bezit, die tonen harmonisch samenbrengt
• Gevoel voor ritme en dans
Energie: een energie die het lichaam van Tijs leidt bij het dansen, die zorgt voor vloeiende bewegingen in overeenstemming met de muziek
Energie: de tonen van de muziek opvangen en het lichaam in harmonie ermee doen bewegen
Deelziel: die controle heeft over het lichaam en die het lichaam in harmonie met de tonen van de muziek doet bewegen
Deelziel: die een repertorium van dansen bezit en Tijs tijdens het dansen leidt
• Bijzondere interesse voor getallen en aanleg voor rekenen
Energie: intelligentie voor die soort kennis
Energie: een energie die het gamma van rekenkundige bewerkingen met hun uitkomsten bezit, Tijs hoeft maar te putten uit de voorraad, daardoor hoeft hij eigenlijk niet echt te redeneren, hij krijgt de kennis gewoon door, hij weet het gewoon
Deelziel: die de hersenen ondersteunt bij het uitvoeren van rekenkundige bewerkingen: die een energie toevoegt aan de hersenen, waardoor hersenweefsel gevoed wordt en waardoor scheikundige bewerkingen in de hersenen sneller verlopen
Deelziel: die kennis en controle heeft over de scheikundige bewerkingen in de hersenen, en scheikundige processen stuurt
Deelziel: die rekent en bewerkingen uitvoert, die de kennis van de wiskunde bezit, Tijs krijgt de oplossing gewoon door, hij weet het gewoon, hij hoeft niet te redeneren